Toonscripts (Dutch) About

Roze en Porcelein

Vertaling van het toneelstuk “Porcelain and Pink”, geschreven door F. Scott Fitzgerald en bewerkt, vertaald en voorzien van illustraties door Ayal Pinkus.

PERSONAGES

—JULIE

—LOIS

—EEN JONGEMAN

 

 

Een benedenkamer in een vakantievilla.

Langs de rand van het plafond hangt in de volle breedte behang met daarop een visser met een berg netten voor zich en een schip in een scharlakenrode zee, een tafereel dat zich meerdere keren herhaalt.

Het behang is niet van belang voor dit verhaal, maar om eerlijk te zijn fascineert het me.

Ik zou eindeloos kunnen doorgaan, maar ik word afgeleid door een van twee dingen in de kamer — een blauwe porceleinen badkuip.

Het is een knettergek ding.

Het is niet groot. Het is klein en heeft een hoge wand en het staat op zijn poten alsof het op elk moment kan springen, maar, ontmoedigd door zijn korte pootjes, heeft het zich neergelegd bij zijn plek in het interieur. Maar het weerhoudt elke gebruiker er koppig van zijn of haar benen te strekken.

En dat brengt ons bij het tweede element in deze ruimte:

Het is een meisje — duidelijk een uitstulpsel van de badkuip; alleen haar keel en hoofd — mooie meisjes hebben kelen in plaats van nekken — en de suggestie van een schouder steken uit. De eerste tien minuten zullen de toeschouwers zich afvragen of ze echt naakt is, of dat ze alleen maar doet alsof.

Haar naam is JULIE MARVIS.

Aan de trotse manier waarop ze rechtop zit kunnen we zien dat ze niet lang is en dat ze een goede houding heeft.

Haar bovenlip krult omhoog als een paashaas wanneer ze glimlacht.

Ze is bijna twintig.

Nog een ding — rechts boven de badkuip is een raam.

Het is een smal raam en het heeft een breed kozijn; er komt veel zonlicht door het raam, maar het is zo geplaatst dat niemand die van buiten naar binnen kijkt de badkuip kan zien.

Begin je al te vermoeden hoe het verhaal zal gaan?

Het stuk begint, heel conventioneel, met een lied. Maar om het publiek niet al te veel te vervelen, laten we alleen de laatse verzen horen:

 
 
JULIE: (In een luchtige soprano—enthusiastico)Caesar de kat
Die ging eens op pad,
Oh die arme kip-pen
Ze schreeuwden het uit
ze wilden er uit
Ik ging naar het kabaal,
hij gaf me een haal
en dat is het ver-haal.

 
Tijdens het luide applaus dat volgt zwaait bescheiden met haar armen en maakt ze golven in het water — tenminste, dat nemen we aan.

Dan opent er een deur aan de linkerzijde en komt LOIS MARVIS binnen, aangekleed, maar met kleding en handdoek in haar armen.

is een jaar ouder dan en ze heeft een bijna identieke gezicht en stem, maar haar kleding en uitdrukking verraden haar conservatieve houding.

Ja, je hebt het goed geraden.

Dit verhaal gaat over een persoonsverwisseling; inderdaad, een aloud en veel te vaak gebruikt verhaalelement.

 
 
 
JULIE: (Verrast)Oh, sorry. Ik wist niet dat jij er ook was.
 
 
JULIE:Oh, hallo. Ik geef een klein concertje —
 
 
LOIS: (Onderbreekt haar)Waarom had je de deur niet op slot gedaan?
 
 
JULIE:Heb ik dat niet gedaan?
 
 
LOIS:Duidelijk niet. Of dacht je dat ik dwars door de deur gelopen was?
 
 
JULIE:Ik dacht dat je het slot met een haarspeld geopend had, lief.
 
 
LOIS:Je bent zo roekeloos.
 
 
JULIE:Nee hoor. Ik ben zo blij als de hond van de slager en ik geef een klein concertje.
 
 
LOIS: (Ernstig)Gedraag je eens als een volwassene!
 
 
JULIE: (Zwaait haar roze arm door de kamer)De muren reflecteren het geluid, snap je? Dat is waarom zingen in een badkamer zo leuk is. Je krijgt een fantastisch mooi geluid. Zal ik het laten horen?
 
 
LOIS:Ik wou dat je opschoot. Ik moet in bad.
 
 
JULIE: (Schudt haar hoofd bedenkelijk)Ik ga me niet haasten. Dit is nu mijn koninkrijk, mijn Godin.
 
 
LOIS:Waarom noem je mij een Godin?
 
 
JULIE:Omdat alles aan jou oh zo perfect is. Verander alsjeblieft niet!
 
 
LOIS:Hoe lang gaat dit nog duren?
 
 
JULIE: (Denkt even na)Niet minder dan vijftien maar ook niet meer dan vijfentwintig minuten.
 
 
LOIS:Zou je het tien minuten willen maken om mij een plezier te doen?
 
 
JULIE: (Haalt herinneringen op)Oh, Godin, weet je nog die ene koude dag in januari toen ene Julie, die beroemd was om haas paashaasglimlach, hier kwam en er nog heel weinig warm water was, net genoeg om een bad te vullen voor het lieve kleine meisje.
 
 
JULIE:En weet je nog toen hoe haar gemene zus in bad ging, waardoor zielige Julie zich moest wassen met koud water? Weet je dat nog?
 
 
LOIS: (Ongeduldig)Dus je wil niet opschieten?
 
 
JULIE:Waarom zou ik?
 
 
LOIS:Ik heb een date.
 
 
JULIE:Hier? In dit huis?
 
 
LOIS:Gaat je niks aan.
 
haalt haar schouders op, badwater klotst.
 
 
 
JULIE:Okay, prima.
 
 
LOIS:Oh, jeetje nog aan toe! Ja! Ik heb een date hier in huis — soort van.
 
 
JULIE:Soort van?
 
 
LOIS:Hij komt niet binnen. Hij roept me en dan gaan we wandelen.
 
 
JULIE: (Fronst haar wenkbrauwen)Oh, nu wordt alles duidelijk. Het is die literatuur-vreter, Mr. Calkins. Ik dacht dat je ma beloofd had hem niet uit te nodigen.
 
 
LOIS: (Wanhopig)Ze is gek. Ze verafschuwt hem omdat hij net uit een scheiding komt. Ze heeft natuurlijk meer levenservaring dan ik, maar —
 
 
JULIE: (Verstandig)Laat haar je niet voor de gek houden! Ervaring is niks waard, alle oude mensen hebben er te veel van.
 
 
LOIS:Ik vind hem leuk. We praten veel over literatuur.
 
 
JULIE:Oh, dat is waarom er zo veel dikke boeken door het huis slingeren de laatste tijd.
 
 
LOIS:Ik mag ze van hem lenen.
 
 
JULIE:Tja, je moet inderdaad wel het spelletje met hem meespelen. Doe in Rome zoals de Romeinen. Maar ik heb het gehad met boeken. Ik ben nu helemaal volleerd.
 
 
LOIS:Je bent niet erg consistent — vorige zomer las je elke dag.
 
 
JULIE:Als ik altijd consistent zou moeten blijven, dan zou ik nog steeds warme melk uit een fles drinken.
 
 
LOIS:Ja, en waarschijnlijk uit mijn fles. Maar ik vind hem gewoon leuk.
 
 
JULIE:Ik heb hem nooit ontmoet.
 
 
LOIS:Wil je nou alsjeblieft opschieten?
 
 
JULIE:Ja.
 
 
JULIE: (Na een korte pauze)Ik wacht eerst tot het water afgekoeld is, en dan schenk ik weer heet water bij.
 
 
LOIS: (Sarcastisch)Heel interessant!
 
 
JULIE:Weet je nog toen we regelmatig “zeepo” speelden?
 
 
LOIS:Ja — en we waren toen tien jaar oud. Nu ik er over nadenk, ben ik verrast dat je het niet nog steeds speelt.
 
 
JULIE:Dat doe ik wel. Ik ga zo beginnen.
 
 
LOIS:Stom spel.
 
 
JULIE: (Warme stem)Nee hoor. Je wordt er heerlijk rustig van. Ik durf te wedden dat je vergeten bent hoe het gaat.
 
 
LOIS: (Uitdagend)Nee hoor! Je — vult het bad met zeepschuim en dan ga je op het randje zitten en dan glijd je naar beneden.
 
 
JULIE: (Schudt haar hoofd)Huh! Dat is niet alles. Je moet naar beneden glijden zonder dat je handen of voeten iets aanraken —
 
 
LOIS: (Ongeduldig)Oh, Hemeltje! Wat kan mij dat nou schelen. Ik wou dat we hier niet meer kwamen in de zomer, of anders dat we een huis kregen met twee badkamers.
 
 
JULIE:Je kan je ook schoonspuiten met de tuinslang—
 
 
LOIS:Oh, hou op!
 
 
JULIE: (Terloops)Laat je handdoek achter.
 
 
LOIS:Wat?
 
 
JULIE:Laat je handdoek hier wanneer je weggaat.
 
 
LOIS:Deze handdoek?
 
 
JULIE: (Zoetjes)Ja. Ik ben mijn badhanddoek vergeten.
 
 
LOIS: (Kijkt voor het eerst rond)Idioot! Je hebt zelfs geen badjas bij je!
 
 
JULIE: (Kijkt ook rond)Nu je het zegt.
 
 
LOIS: (Begint iets te vermoeden)Hoe ben je hier gekomen?
 
 
JULIE: (Lacht)Blijkbaar ben ik — ben ik hier naartoe geslopen. Een witte gedaante — die zich langs de trap naar beneden schiedde en —
 
 
LOIS: (Gechoqueerd)Jij kleine boef. Heb je dan helemaal geen trots en zelfrespect?
 
 
JULIE:Heel veel van beide. Wat ik deed bewijst dat juist. Ik zag er prachtig uit, al zeg ik het zelf. Ik zie er wel mooi uit in mijn natuurlijke staat.
 
 
LOIS:Jij —
 
 
JULIE: (Denkt hardop)Ik wou dat niemand kleren droeg. Misschien was dat ook zo toen we nog oermensen waren en zo.
 
 
LOIS:Je bent een —
 
 
JULIE:Vannacht droomde ik dat we in een kerk waren en dat een klein jongetje een magneet bij zich had dat kleding aantrok.
 
 
JULIE:Hij trok de kleren van ieders lijf. Iedereen was in paniek. Mensen huilden en gilden en deden alsof ze hun huid voor de eerste keer zagen.
 
 
JULIE:Alleen, het kon mij niks schelen.

Dus lachte ik maar.

Ik moest met de collecte rondgaan omdat niemand anders durfde.

 
 
LOIS: (Is gestopt met luisteren naar het geraaskal)Vertel je me nu dat als ik niet gekomen was je weer naar je kamer teruggerend zou zijn—naakt?
 
 
JULIE:Au naturel is zo veel mooier.
 
 
LOIS:En wat als er mensen in de woonkamer hadden gezeten.
 
 
JULIE:Tot nu toe is dat nooit gebeurd.
 
 
LOIS:Tot nu toe! Mijn God! Hoe lang —
 
 
JULIE:Trouwens, meestal heb ik wel een handdoek bij me, hoor.
 
 
LOIS: (Volledig ondersteboven)Je verdient een pak slaag. Ik hoop dat je betrapt wordt. Ik hoop dat er een dozijn dominees in de woonkamer zitten wanneer jij naar buiten komt — en hun vrouwen, en hun dochters.
 
 
JULIE:Er zou niet genoeg plek zijn in onze woonkamer voor al die mensen, slimpie.
 
 
LOIS:Okay. Je hebt je —blote billen gebrand, en moet nu op de blaren zitten.
 
stapt resoluut richting de deur.
 
 
 
JULIE: (Gealarmeerd)Hey! Hey! De badjas kan me niet schelen maar ik wil wel dat handdoek! Ik kan me niet drogen met een zeepje en een washandje.
 
 
LOIS: (Koppig)Misbaksel. Verzin zelf maar hoe je jezelf opdroogt. Voor mijn part rol je over de vloer zoals alle dieren zonder kleren doen.
 
 
JULIE: (Zelfingenomen)Prima. Eruit jij!
 
 
LOIS: (Hooghartig)Huh!
 
draait de koudwaterkraan open en met haar hand richt ze de waterstraal rechtstreeks naar

trekt zich vlug terug en slaat de deur achter zich dicht.

lacht en draait de koudwaterkraan weer dicht.

 
 
 
JULIE: (Zingend)Wanneer een man in pak
het meisje van zijn dromen ontmoet.
Onder de luchtblauwe hemel
Haar Perfecte glimlach
Haar gracieuze stijl
De dom da-de-dom op een dag—
 
Ze begint te fluiten en leunt vooruit om de kranen open te draaien, maar reageert verschrikt wanneer ze drie luide knallen hoort in de waterpijpleidingen. Dan is het even stil — en zet ze haar mond voor het uiteinde van de kraan, alsof het een ouderwetse telefoon is.
 
 
 
JULIE:Hallo! (Geen antwoord) Ben jij een loodgieter? (Geen antwoord) Ben je van het Waterschap? (Een hele luide, holle knal)
 
 
JULIE:Wat wil je? (Geen antwoord) Volgens mij ben jij een spook. Is dat zo? (Geen antwoord) Nou, stop dan met knallen.
 
Ze draait de warmwaterkraan open. Er komt geen water uit. Weer zet ze haar mond bij de kraan.
 
 
 
JULIE:Als je een loodgieter bent, dan is dat een gemene truc. Doe het water weer aan, wees eens lief. (Twee luide, holle knallen) Spreek me niet tegen! Ik wil water — water! Water!
 
In het raam verschijnt het hoofd van een jongeman — een gezicht met een dun snorretje en vriendelijke ogen. Starende ogen. Maar de ogen zien niets anders dan de vissers op het behang met hun visnetten en scharlakenrode zee. Dit zet hem aan tot spreken.
 
 
 
JONGEMAN:Viel er iemand flauw?
 
 
JULIE: (Zit recht op, verschrikt, en is ineens één en al oor)Alle katten nogaantoe!
 
 
JONGEMAN: (Behulpzaam)Poezen houden niet van water.
 
 
JULIE:Poezen! Wie had het hier over poezen!
 
 
JONGEMAN:Jij had het over katten.
 
 
JULIE: (Gedecideerd)Niet waar!
 
 
JONGEMAN:We hebben het er later nog wel over. Ben je klaar om te gaan? Of ben je nog steeds bang dat iedereen over ons gaat roddelen als ze ons samen zien?
 
 
JULIE: (Glimlach)Of ze zouden roddelen? Het zou een ietsje meer worden dan een roddel. Meer een enorm schandaal.
 
 
JONGEMAN:Nou nou, dat is wat sterk uitgedrukt. Je familie zou een beetje ontstemd reageren — maar brave mensen vinden bijna niks kunnen. Het zou niemand opvallen, op misschien een paar oude dames na. Kom, laten we gaan.
 
 
JULIE:Je hebt geen idee waar je om vraagt.
 
 
JONGEMAN:Denk je dat er een menigte achter ons aan zou komen?
 
 
JULIE:Een menigte? Er zou elk uur een hele trein vol mensen uit Amsterdam aankomen om ons te volgen.
 
 
JONGEMAN:Zeg, ben jij het huis aan het schoonmaken of zo?
 
 
JULIE:Hoe bedoel je?
 
 
JONGEMAN:Er hangen geen schilderijen aan de muur.
 
 
JULIE:Nou, er hangen nooit schilderijen aan de muren van deze kamer.
 
 
JONGEMAN:Dat is vreemd. Nooit gehoord van een kamer zonder schilderijen of iets anders aan de muur.
 
 
JULIE:Er is hier zelfs geen meubilair.
 
 
JONGEMAN:Vreemd huis hebben jullie, zeg.
 
 
JULIE:Hangt er van af hoe je er naar bekijkt.
 
 
JONGEMAN: (Sentimenteel)Het is heerlijk om zo met je te praten — wanneer je alleen maar een stem bent. Ik ben nu even best blij dat ik je niet kan zien.
 
 
JULIE: (Dankbaar)Nou. Anders ik wel.
 
 
JONGEMAN:Wat voor kleur heb je aan?
 
 
JULIE: (Bekijkt haar schouders kritisch)Het is een eh, een wit soort roze.
 
 
JONGEMAN:Staat het je goed?
 
 
JULIE:Heel erg. Het is — het is oud. Ik heb het al heel lang.
 
 
JONGEMAN:Ik dacht dat je een hekel had aan oude kleren.
 
 
JULIE:Dat heb ik ook, maar dit was een verjaardagskado en ik moet het wel dragen, ik heb geen keus.
 
 
JONGEMAN:Roze-achtig wit. Nou, ik durf te wedden dat het je beeldig staat. Is het op dit moment in de mode?
 
 
JULIE:Het is tijdloos. Een heel simpel, klassiek model.
 
 
JONGEMAN:En je stem! Zo prachtig. En de echo van je stem is ook zo mooi.
 
 
JONGEMAN:Soms sluit ik mijn ogen en dan zie ik jou op een onbewoond eiland, en je roept naar mij. En ik zwem naar je toe, duik door de golven terwijl jij daar staat en roept en het water zich om jou heen naar alle kanten uitstrekt tot over de horizon —
 
De zeep glipt van het badrand en plonst in het water.

knippert met zijn ogen.

 
 
 
JONGEMAN:Wat was dat? Hoorde ik dat goed?
 
 
JULIE:Ja — eh, jij — je bent heel dichterlijk, toch?
 
 
JONGEMAN: (Dromerig)Nee. Ik doe alleen aan proza. Maar ik dicht wanneer ik opgewonden ben.
 
 
JULIE: (Mompelend)Opgewonden standje —
 
 
JONGEMAN:Ik heb wel altijd gehouden van de dichtkunst. Tot op de dag van vandaag herinner ik me nog het eerste gedicht dat ik uit mijn hoofd moest leren. Het heette “Evangeline.”
 
 
JULIE:Da's een leugen.
 
 
JONGEMAN:Zei ik “Evangeline”? Ik bedoelde “Bepantserd skelet.”
 
 
JULIE:Ik ben maar een ordinair wijf. Maar ik kan me mijn eerste gedicht ook nog wel herinneren. Het had een vers:
 
 
JULIE:“Parker en Davis
Zitten op een hek
En proberen een euro te maken
van vijftien cent.“


 
 
JONGEMAN: (Gretig)Begin je te houden van literatuur?
 
 
JULIE:Als het niet al te oud, te ingewikkeld of te deprimerend is. Net als met mensen. Die heb ik ook liever niet al te oud, te ingewikkeld of te deprimerend.
 
 
JONGEMAN:Ik heb natuurlijk heel, heel veel gelezen. Je vertelde me gisteravond dat je een groot fan was van Walter Scott.
 
 
JULIE: (Overpeinzend)Scott? Even denken. Ja, ik heb inderdaad “Ivanhoe” gelezen en “De Laatste Der Mohicanen.”
 
 
JONGEMAN:Dat is geschreven door Cooper.
 
 
JULIE: (Boos)“Ivanhoe”? Je bent gek! Ik zou het moeten weten, want ik heb het gelezen.
 
 
JONGEMAN:“De Laatste der Mohicanen” is geschreven door Cooper.
 
 
JULIE:Wat kan mij dat nou schelen! Ik houd van O. Henry. Geen idee hoe hij in hemelsnaam heeft kunnen schrijven. Hij schreef de meeste verhalen in de gevangenis. “De Ballade van de Reading Gevangenis” verzon hij in de gevangenis.
 
 
JONGEMAN: (Bijt op zijn lip)Literatuur — literatuur! Het heeft zo veel voor me betekend.
 
 
JULIE:Nou, zoals Gaby Deslys tegen Meneer Bergson zei, met mijn uiterlijk en jouw goed stel hersens is er niks dat we niet zouden kunnen doen.
 
 
JONGEMAN: (Lachend)Je bent moeilijk bij te benen, zeg. De ene dag ben je super-aardig, en een dag later ben je chagrijnig. Als ik je niet zo good doorhad —
 
 
JULIE: (Ongeduldig)Oh, je bent zeker zo iemand die mensen kan lezen zeker. In een blikopslag een mening vormen over iemand en dan vervolgens doen alsof je alles over die persoon weet. Ik haat dat soort mensen.
 
 
JONGEMAN:Ik beweer zeker niet dat ik je doorheb. Integendeel! Ik moet toegeven dat jij een absoluut mysterie blijft voor mij.
 
 
JULIE:Er zijn maar twee mysterieuze mensen geweest.
 
 
JONGEMAN:Wie dan?
 
 
JULIE:De Man Met Het Ijzeren Masker en die vent die de hele tijd zegt “ug uh-glug uh-glug uh-glug” wanneer een telefoonlijn bezet is.
 
 
JONGEMAN:Je bent een mysterieuze vrouw, ik hou van je. Je bent mooi, intelligent, deugdzaam, en dat is zo'n zeldzame combinatie...
 
 
JULIE:Je bent geschiedkundige. Zijn er beroemde badkuipen uit het verleden? Volgens mij zijn ze zwaar over het hoofd gezien.
 
 
JONGEMAN:Badkuipen! Eens kijken. Nou, Agamemnon werd doodgestoken in zijn badkuip. En Charlotte Corday stak Marat dood in zijn badkuip.
 
 
JULIE: (Zuchtend)Dat is lang geleden! Er is niks nieuws onder de zon, toch?

Gisteren vond ik bladmuziek voor een musical die minstens twintig jaar oud was; de titel was nog op de ouderwetse manier gespeld.

 
 
JONGEMAN:Ik haat moderne dans. Oh Lois, Ik wou zo graag dat ik je kon zien. Lois, alsjeblieft, kom naar het raam en laat me je zien.
 
Er komt een luide knal uit de waterleiding en plotseling stroomt er water uit de nog steeds geopende kraan.

draait de kraan vlug dicht.

 
 
 
JONGEMAN: (Verbaasd)Wat was dat?
 
 
JULIE: (Ingenieus)Ik hoorde ook iets.
 
 
JONGEMAN:Klonk als stromend water.
 
 
JULIE:Daar leek het inderdaad op, of niet?

Nou, ik zal het maar verklappen; ik was de goudviskom aan het bijvullen.

 
 
JONGEMAN: (Nog steeds verbaasd)Wat was die luide knal dan?
 
 
JULIE:Een van de goudvissen hapte naar me met zijn gouden kaken.
 
 
JONGEMAN: (Nu resoluut)Lois, ik hou van je. Ik ben niet een mundaine man, ik ben een doorzetter —
 
 
JULIE: (Ineens geïnteresseerd)Oh, okay, dat klinkt interessant!
 
 
JONGEMAN:— ik zet altijd door. Lois, Ik wil je.
 
 
JULIE: (Skeptisch)Huh! Wat jij wil is dat de hele wereld klaar staat voor je en voldoet aan al je wensen!
 
 
JONGEMAN:Lois ik — Lois ik —
 
Hij stopt wanneer de deur opent en binnenkomt. Ze slaat de deur achter zich dicht en kijkt boos naar , maar dan ziet ze plotseling door het raam naar binnen kijken.
 
 
 
LOIS: (Vol afgrijzen)Mr. Calkins!
 
 
JONGEMAN: (Verrast)Ik dacht dat je zei dat je een soort roze wit gewaad droeg?
 
Met een wanhopige blik in haar ogen slaakt een kreet, gooit haar handen op en zakt ze vol overgave ineen.
 
 
 
JONGEMAN: (Zeer gealarmeerd)Goede genade! Ze viel flauw! Ik ga meteen naar binnen.
 
's ogen vallen op de handdoek die uit 's handen zijn geglipt.
 
 
 
JULIE:In dat geval ga ik er meteen uit.
 
Ze zet haar beide handen op de rand van het bad om zich er uit te tillen. Geroezemoes en gemompel vanuit het publiek. Ingehouden adem. Een donkere nacht valt over het podium.
 
GORDIJNEN SLUITEN