Toneel English Blog Over

De Sterkste

Vertaling van het toneelstuk “The Stronger”, geschreven door August Strindberg en bewerkt, vertaald en voorzien van illustraties door Ayal Pinkus.

PERSONAGES

—MEVR. X.

—MEJ. Y.

EEN SERVEERSTER

 

 

 
SCENE—Een hoek in een damescafé. Er staan twee ijzeren tafeltjes, een fluwelen rode sofa, en een aantal stoelen.

Mej. Y. zit met een halflege fles bier voor haar neus en leest een tijdschrift dat ze later verveeld wisselt voor een ander blad.

Mevr. X. komt binnen. Ze draagt een winterjas en ze heeft een mand bij zich.

 
 
 
MEVR. X.:Goedenmiddag, Amelie. Ach, wat sneu, zit je hier helemaal in je eentje, als een arme vrijgezel? En dat op kerstavond!
 
kijkt op, knikt vriendelijk, en leest dan weer verder.
 
 
 
MEVR. X.:Weet je, het doet me echt pijn om je zo te zien, helemaal alleen, en nota bene op kerstavond.
 
 
MEVR. X.:Het doet me denken aan die ene keer toen ik een trouwfeest zag in een restaurant in Parijs. De bruid zat gewoon een stripboek te lezen terwijl de bruidegom aan het biljarten was met de getuigen.
 
 
MEVR. X.:Ik dacht: he! Dat is ook geen goed begin. Dat kan alleen maar slecht aflopen, toch?
 
 
MEVR. X.:Hij was gewoon aan het biljarten op zijn trouwdag!( lijkt wat te willen zeggen)Je bedoelt dat zij een stripboek aan het lezen was?
 
 
MEVR. X.:Nou, ja, dat is natuurlijk niet helemaal hetzelfde.
 
Een serveerster komt binnen, serveert een kop warme chocomelk en dan gaat ze weer weg.
 
 
 
MEVR. X.:Weet je, Amelie, je had beter je best moeten doen om hem te houden.
 
 
MEVR. X.:Ik was de eerste die je vertelde dat je hem moest vergeven. Kan je je dat nog herinneren?
 
 
MEVR. X.:Dan was je nu getrouwd geweest, en dan had je tenminste een thuis gehad om naar terug te keren.
 
 
MEVR. X.:Weet je nog die ene keer dat je je schoonouders op het platteland bezocht tijdens Kerst?
 
 
MEVR. X.:En hoe je toen deed of je een huiselijk bestaan verheerlijkte en hoe je beweerde dat je er naar verlangde om het theater voor altijd de rug toe te keren?
 
 
MEVR. X.:Ja, Amelie, schat, een goed thuis is het allerbelangrijkste, en daarna komt pas theater en kinderen—nou, dat heb jij blijkbaar nooit begrepen.
 
kijkt minachtend op.

neemt een paar slokjes van haar kopje chocomelk. Daarna opent ze haar mand om de Kerstkado's te laten zien.

 
 
 
MEVR. X.:Kijk, dit heb ik voor mijn schatjes gekocht. (Pakt een pop) Kijk! Dit is voor Lisa, ha! Ze kan haar oogjes rollen en haar hoofdje draaien, leuk he? En dit is Maja's knalpistool. (Ze laadt het pistool en schiet op )
 
reageert verschrikt.
 
 
 
MEVR. X.:Liet ik je schrikken? Denk je dat ik je wel kan schieten?

Dat zou me eerlijk gezegd verbazen.

 
 
MEVR. X.:Als jij op mij zou willen schieten, dan zou dát mij niks verbazen want ik stond je altijd in de weg—en ik weet dat je me dat kwalijk neemt—terwijl ik daar helemaal niks aan kon doen.
 
 
MEVR. X.:Je denkt nog steeds dat ik spelletjes speelde en dat ik je het Stora Theater heb uitgewerkt, maar dat heb ik helemaal niet gedaan—ook al denk jij van wel.
 
 
MEVR. X.:Nou, het maakt toch niet uit wat ik zeg, je gelooft me toch niet. (Pakt een paar geborduurde pantoffels) En deze zijn voor mijn wederhelft.

Ik heb ze zelf geborduurd—ik kan tulpen niet uitstaan, maar hij wil overal tulpen op.

 
kijkt verbaasd op.
 
 
 
MEVR. X.: (Plaatst een hand in elke pantoffel)Wat heeft Bob eigenlijk kleine voeten, toch?
 
 
MEVR. X.:En je zou eens moeten zien hoe hij zich voortschrijdt!
 
 
MEVR. X.:Jij hebt hem natuurlijk nooit pantoffels zien dragen. ( lacht hardop) Kijk! (Ze laat de pantoffels over tafel lopen. lacht)
 
 
MEVR. X.:En als hij chagrijnig is, dan stampt hij zo met zijn voet.
 
 
MEVR. X.:Die verdomde bediendes! Weten niet eens hoe je een kop koffie zet! En goed schoonmaken ho maar! Luie donders!
 
 
MEVR. X.:Soms tocht het op de vloer, en dan zijn zijn voeten koud.
 
 
MEVR. X.:Godver wat is het koud! Kunnen die idioten de verwarming niet aandoen!” (Ze wrijft de zolen van de twee pantoffels tegen elkaar)
 
lacht.
 
 
 
MEVR. X.:En dan komt hij thuis en dan gaat hij op jacht naar zijn pantoffels die Marie onder de hoge ladekast heeft verstopt—oh, maar het is niet netjes om je echtenoot zo op de hak te nemen wanneer hij zo'n vriendelijk klein mannetje is.
 
 
MEVR. X.:Jíj had zo'n echtgenoot moeten hebben, Amelie, echt.
 
 
MEVR. X.:Waarom lach je? Wat? Wat?
 
 
MEVR. X.:En je weet natuurlijk dat hij me trouw is.
 
 
MEVR. X.:Jawel, ik weet het zeker, want hij vertelde me zelf—waarom lach je?—dat de brutale Frederique hem probeerde te verleiden toen ik door Noorwegen aan het touren was!
 
 
MEVR. X.:Schandelijk, niet? (Pauze) Ik had haar de ogen uit haar kop gerukt als ze het lef had gehad om dat zelfs maar te proberen toen ik thuis was. (Pauze) Gelukkig vertelde Bob het me zelf zodat ik het niet via via hoefde te horen.
 
 
MEVR. X.:(Pauze) Maar Frederique bleek niet de enige! Ongelooflijk, of niet?
 
 
MEVR. X.:Ik heb geen idee waarom, maar vrouwen zijn dol op mijn echtgenoot.
 
 
MEVR. X.:Misschien denken ze dat hij rollen voor ze kan regelen in het theater omdat hij de bazen daar kent.
 
 
MEVR. X.:Misschien jaagde jij ook wel op hem. Ik vertrouwde je voor geen meter.
 
 
MEVR. X.:Maar weet je, hij bekommerde zich nooit om jou, en jij leek wrok te koesteren, naar hem toe, voor wat voor reden dan ook.
 
Pauze. Ze kijken elkaar verbaasd aan.
 
 
 
MEVR. X.:Waarom kom je vanavond niet bij ons eten, Amelie? Om te laten zien dat je niet boos bent op ons,—op mij dan in ieder geval. Ik zou niet willen dat je mijn vijand was.
 
 
MEVR. X.:Misschien is het omdat je denkt dat ik je in de weg sta...(Geleidelijk vertraagt ze)of—ik heb eigenlijk geen idee waarom.
 
Pauze. staart naar met een nieuwsgierige blik.
 
 
 
MEVR. X.: (Bedachtzaam)Onze vriendschap is zo raar geweest.
 
 
MEVR. X.:Weet je, toen ik je voor het eerst zag was ik bang voor je, zó bang dat ik je constant in de gaten hield.

Ik bleef altijd bij je rondhangen. Waar je ook heen ging, daar was ik.

Ik wilde koste wat kost vermijden dat je mijn vijand werd, en dus besloot ik je vriendin te worden.

 
 
MEVR. X.:Maar er was altijd ruzie wanneer jij langskwam. Ik zag dat mijn man je niet kon uitstaan, en het werd altijd ongemakkelijk, als een slecht-zittend kledingstuk.
 
 
MEVR. X.:Ik deed er echt alles aan om te proberen hem er toe te bewegen vriendelijk tegen je te doen, maar het lukte me de hele tijd niet—tot het moment dat jij verloofd was.
 
 
MEVR. X.:Toen ontstond er plotseling een wervelende vriendschap tussen jullie.

Het was alsof jullie ineens niet meer bang waren om jullie ware gevoelens te tonen.

En toen—hoe ging het daarna ook alweer?

 
 
MEVR. X.:Vreemd genoeg werd ik niet jaloers.
 
 
MEVR. X.:En ik weet nog dat je je tijdens de doping gedroeg als peettante.

Ik liet je mijn man kussen—hij kuste je terug en plotseling werd je heel erg verlegen.

 
 
MEVR. X.:Ik stond er toen niet bij stil, en heb er eigenlijk nooit eerder bij stilgestaan. Tot nu toe dan! (Staat plotseling op) Waarom ben je eigenlijk zo stil?
 
 
MEVR. X.:Je hebt nog geen woord gezegd! En je laat mij maar doorkletsen.
 
 
MEVR. X.:Jij zit daar maar, met je blik die al deze gedachten uit mijn hoofd trekt als een zijden draad uit een cocon—gedachten, verdachtmakingen misschien zelfs wel.
 
 
MEVR. X.:Even denken hoor—waarom verbrak je ook alweer je verloving? En waarom kwam je daarna plotseling nooit meer bij ons langs? En waarom wil je vanavond niet bij ons langskomen?
 
Het lijkt alsof op het punt staat iets te zeggen.
 
 
 
MEVR. X.:Zeg maar niets meer—ik begrijp het nu helemaal.
 
 
MEVR. X.:Het was omdat dit—en omdat dat—en omdat zus—en omdat zo!
 
 
MEVR. X.:Ja, nu begrijp ik het; nu vallen alle puzzelstukjes op hun plaats.
 
 
MEVR. X.:Ik heb er genoeg van. Ik weiger nog met jou aan een tafel te zitten. (Verplaatst haar spullen naar het andere tafeltje) Dat was waarom ik die stomme tulpen—ik haat tulpen—op zijn pantoffels moest borduren.
 
 
MEVR. X.:Dat is waarom (Gooit de pantoffels op de grond) we elke zomer naar dat stomme Malarn meer gaan; omdat jij niet van zout water houdt. En dat is waarom mijn zoon nu Eskil heet—jouw vader's naam.
 
 
MEVR. X.:Dat is waarom ik jouw kleuren draag, jouw favoriete auteurs lees, jouw favoriete gerechten eet, jouw lievelingsdrank drink—warme chocolademelk bijvoorbeeld; dat is waarom—oh—mijn God—wat vreselijk, eigenlijk, als je er over nadenkt. Wat vreselijk.
 
 
MEVR. X.:Ik heb werkelijk echt alles van je overgenomen, zelfs je passies.
 
 
MEVR. X.:Je ziel kroop in mij, als een worm in een appel. Het at, en het at, het boorde en het boorde, tot er niets meer over was dan een lege schil.
 
 
MEVR. X.:Ik probeerde bij je vandaan te komen, maar het leek onmogelijk.
 
 
MEVR. X.:Jij lag altijd op de loer, als een slang met je geniepige zwarte ogen.
 
 
MEVR. X.:Elke keer als ik mijn vleugels probeerde uit te slaan voelde het alsof ze van lood waren.
 
 
MEVR. X.:Het was alsof ik in het water lag, mijn voeten vastgebonden.
 
 
MEVR. X.:En hoe harder ik probeerde mijn hoofd boven water te houden, hoe meer het voelde alsof ik naar beneden werd gezogen, totdat ik naar de bodem zonk waar ik lag, als een gigantische kreeft, wachtend op het moment dat ik je kon grijpen met mijn grote klauwen—en daar lig ik nu nog steeds.
 
 
MEVR. X.:Ik haat je, ik haat je, ik haat je!
 
 
MEVR. X.:En jij zit daar maar, stil— stil en onverschillig.
 
 
MEVR. X.:Het kan je niks schelen of het volle maan of nieuwe maan is, Kerst of Oud en Nieuw, of andere mensen blij zijn of dat ze ongelukkig zijn.
 
 
MEVR. X.:Je hebt het niet in je om mensen te kunnen liefhebben of zelfs te haten.
 
 
MEVR. X.:Je bent gewoon een harteloos, gevoelloos persoon.
 
 
MEVR. X.:Je bent als een ooievaar die stilletjes wacht bij een rattenhol—niet in staat om je prooi te ruiken en te vangen, maar wel in staat om op de loer te liggen!
 
 
MEVR. X.:Daar zit je dan, in een hoek van dit café—wist je dat dit café ter ere van jou nu De Rattenval wordt genoemd?—en je leest al die roddelbladen om te zien met wie het nu slecht gaat; wie net gescheiden is, en wie je daarom nu aan de haak kan slaan.
 
 
MEVR. X.:Berekenend als je bent maak je ongetwijfeld plannen voor je volgende slachtoffer, en probeer je in te schatten hoe groot de kans is dat je daarvoor beloond zal worden; net als iemand die een verzekeringsmaatschappij probeert op te lichten.
 
 
MEVR. X.:Arme Amelie. Ik heb ook wel medelijden met je, want ik weet dat je ongelukkig bent.
 
 
MEVR. X.:Ongelukkig als iemand die verwond is, boos als iemand die verwond is.
 
 
MEVR. X.:Ik kan gewoon niet boos op je zijn, hoe graag ik dat ook zou willen.
 
 
MEVR. X.:Want jij bent de zwakkere van ons twee.
 
 
MEVR. X.:Al dat gedoe met Bob baart me echt geen zorgen, hoor.
 
 
MEVR. X.:Wat maakt het ten slotte ook uit?
 
 
MEVR. X.:En wat maakt het nou helemaal uit of jij of iemand anders me chocolademelk heeft leren drinken. (Neemt een slok van haar kopje)
 
 
MEVR. X.:En trouwens, chocolademelk is gezond.
 
 
MEVR. X.:En als jij me hebt geleerd hoe ik me moet kleden—zo veel beter!
 
 
MEVR. X.:Dat heeft me alleen maar aantrekkelijker gemaakt voor mijn man. Jij hebt verloren, ik heb gewonnen.
 
 
MEVR. X.:Ik heb het gevoel dat hij al tussen je vingers geglipt is.
 
 
MEVR. X.:En dat terwijl jij ongetwijfeld had gewild dat ik hem zou verlaten—zoals jij deed met je verloofde, iets wat je nu natuurlijk betreurt.
 
 
MEVR. X.:Maar, weet je, men moet niet te veeleisend zijn.
 
 
MEVR. X.:En waarom zou ik alleen maar genoegen moeten nemen met de dingen die anderen niet willen?
 
 
MEVR. X.:Alles bij elkaar genomen ben ik op dit moment duidelijk de sterkste van ons twee.
 
 
MEVR. X.:Jij hebt mij niks kunnen afpakken, en dat terwijl jij mij zo veel hebt gegeven!
 
 
MEVR. X.:Ik voel me als een dief in de nacht, nu je mij de ogen geopend hebt.
 
 
MEVR. X.:Ik zie nu dat ik bezit wat jij begeert.
 
 
MEVR. X.:Hoe had het ook anders gekund? Alles wat jij aanraakt wordt uiteindelijk waardeloos en betekenisloos.
 
 
MEVR. X.:Een man zou nooit bij je blijven om stomme tulpen of oppervlakkige interesses—maar met mij kan een man wel zijn leven delen.
 
 
MEVR. X.:Jij kan niks opsteken van je favoriete auteurs zoals ik dat wel kon.
 
 
MEVR. X.:Jij hebt geen kleine Eskil om van te houden, zelfs als je vader zo heette.
 
 
MEVR. X.:En waarom ben je nou altijd zo stil, stil, stil?
 
 
MEVR. X.:Eerst dacht ik dat het je kracht was. Stille wateren, diepe gronden, dacht ik dan.
 
 
MEVR. X.:Maar het is natuurlijk gewoon omdat je niks interessants te melden hebt!
 
 
MEVR. X.:En dat is natuurlijk omdat niks je echt interesseert! (Staat op en pakt de pantoffels)
 
 
MEVR. X.:Nu ga ik naar huis—en ik neem de tulpen mee—jouw tulpen!
 
 
MEVR. X.:Je bent niet in staat om van anderen te leren.
 
 
MEVR. X.:Jij kan niet buigen als riet, en daarom breek je nu als een droge stok.
 
 
MEVR. X.:Maar ik zal niet breken! Dank je, Amelie. Dank je voor al je goede lessen.
 
 
MEVR. X.:En dank je dat je mijn man hebt geleerd hoe lief te hebben.
 
 
MEVR. X.:Nu ga ik naar huis. Mijn huis. Om hem lief te hebben, mijn man.(Gaat)

EINDE