Toonscripts (Dutch) About

Esmoreit

Koningszoon van Sicilië

Originele auteur onbekend. Ca. 1400.
Adaptatie en illustraties Ayal Pinkus, 2022.

Sicilië, Anno 1402

establishing shot sicily
 
 
ROBBERT:Wat een pech! Waarom moet mij dit nu overkomen!

Door die vervloekte geboorte heb ik nu een neefje.

Hij heet Esmoreit.

Ik had gehoopt ooit de koning van Sicilië te worden als mijn oom, de koning, zou komen te overlijden.

En dat is al bijna, want hij is oud.

Maar nu heeft hij bij zijn jonge vrouw een kind gekregen, die oude grijsaard.

Gisteren was ik nog de troonopvolger. En ben ik dan nu voor altijd mijn erfenis kwijt? Dit nieuws valt mij zo zwaar. Mijn leven valt in duigen.

Maar ik geef het niet zomaar op! Ik zal mij inspannen, dag en nacht! En ik zal dat kereltje koste wat kost in de verdoemenis storten.

Ik zal een manier verzinnen om hem op te sluiten of te verdrinken. Ik zal dag en nacht nadenken over een plan. Geen moeite zal mij te veel zijn.

Want ik wil zelf de koning worden.

En ik zal mij ook inspannen om de schande af te roepen over de vorstin, de vrouw van mijn oom.

Ik zal zorgen dat zij de schuld krijgt, en dat de koning niet meer zijn leven met haar wil delen. Als ik al deze dingen voor elkaar krijg, dan zal dit koninkrijk voor altijd van mij zijn!

Damascus

establishing shot sicily
 
 
MEESTER PLATUS:Waar bent u, hoog-geboren koning van Damascus? Want ik moet u vertellen over de vreselijke dingen die ik heb gezien.
 
 
KONING VAN DAMASCUS:Maar meester Platus! Wat is er toch aan de hand?
 
 
MEESTER PLATUS:Heer, de afgelopen nacht las ik in de sterren dat een christenkind van hoge komaf was geboren.

Dit kind zal u doden met een zwaard.

Hij zal uw dochter trouwen, en ze zal zich bekeren tot het christendom.

Zijn vader is de belangrijke vorst van Sicilië.

Dat zeiden de sterren.

 
 
KONING VAN DAMASCUS:En is hier iets tegen te doen?
 
 
MEESTER PLATUS:Jazeker, heer koning!

Ik heb al een snood plan gesmeed om te zorgen dat u blijft leven.

 
 
KONING VAN DAMASCUS:Ach, ik ben zo geschrokken van de dingen die u mij nu vertelt!

U bent een wijs man, meester Platus, mijn goede vriend. U heeft mij lang en trouw gediend, en menige malen mijn hachje gered.

Vertel, wat is uw plan?

 
 
MEESTER PLATUS:Heer, luister naar mijn plan:

Allereerst vraag ik u om mij veel goud mee te geven. Daarna zal ik onverwijld naar dat land afreizen.

Aldaar zal ik, door te stelen, of door te kopen met geld, het kind bemachtigen, en hem meenemen naar dit land.

Hier zullen wij hem opvoeden.

Hij zal denken dat u zijn vader bent, en dat uw dochter zijn zus is en dat hij haar dus niet kan trouwen.

Nu, vlug! Wij verliezen kostbare tijd!

Ik wil nu gaan varen!

 
 
KONING VAN DAMASCUS:Meester Platus, dat is een goed plan.

Gaat heen. Haast u. Ik wil niet dat u langer treuzelt.

Neem zo veel goud mee als u wil.

Gris het snel bij elkaar, er is geen tijd om te tellen.

En breng mij dan de jongeling! Dat is van het allergrootste belang.

En schroom niet om met geld te strooien.

Ik wil de jongeling zo snel mogelijk zien.

 
 
MEESTER PLATUS:Heer, ik zal mij daar dag en nacht voor inspannen.

Sicilië

establishing shot sicily
Robbert houdt het gestolen kind in zijn armen.
 
 
ROBBERT:Het is mij gelukt! Ik heb bemachtigd wat ik begeerde.

Deze jongeling is zó geliefd bij mijn oom de oude grijze koning, en ook bij zijn jonge moeder.

Ze prijzen hem de hemel in en doen alsof ze nog nooit een kind hebben gezien die zo mooi was.

En nu ga ik ze dit geluk ontnemen.

Robbert praat tegen het kind in zijn armen.
 
 
ROBBERT:Vanaf het moment dat je was geboren ben ik elke seconde depressief geweest.

Ik haat je, en ook degenen die je ter wereld brachten.

Je ouders zullen ontroostbaar zijn, maar je leven ga je nu verliezen. Want ik ga je in een waterput laten verdrinken.

Of misschien verzin ik wel een nóg ergere dood.

Meester Platus arriveert stilletjes.
 
 
MEESTER PLATUS:Oh, mijn beste vriend, hoe kunt u dat nou zeggen over zo'n mooi kind. Als u het wil doden, dan bent u duidelijk gek geworden.

Maar uw besluit staat duidelijk vast, dat zie ik aan uw ogen. Ik zal u dus niet op andere gedachten proberen te brengen.

Maar vertelt u mij eens waarom?

 
 
ROBBERT:Vanaf het moment dat hij ter wereld kwam, zag ik elke nacht in mijn dromen hoe hij mij van het leven zou beroven. Ik ben bang dat het een voorspellende droom is die zal uitkomen. En daarom heb ik niet gerust tot ik hem kon stelen van zijn moeder.

En nu ga ik zijn leven beëindigen.

 
 
MEESTER PLATUS:Ik heb een beter idee!

Hopelijk wilt u naar mij luisteren.

Eerst een vraag: wie zijn zijn vader en moeder?

Want misschien wil ik hem wel kopen.

En dan zou u er meer geld mee verdienen dan als u hem zou doden.

Het is voor u hetzelfde, want ik zou hem namelijk met mij mee nemen naar wat u noemt een een heidens plek, de stad Balderijs in Turkije.

U zou hem dan nóóit meer terug zien.

 
 
ROBBERT:Goed. Omdat u de jonge knaap misschien wil kopen, zal ik u vertellen wie zijn vader en moeder zijn:

Zijn vader is de vorst van Sicilië, en zijn moeder, als u het echt weten wil, is de dochter van de koning van Hongarije.

 
 
MEESTER PLATUS:Als hij een nazaat is van die families, dan is hij zeker van mijn gading!

Ik zou hem graag van u kopen. Spreek op, hoeveel moet ik betalen?

 
 
ROBBERT:Ik neem genoegen met duizend pond rood goud.
 
 
MEESTER PLATUS:Hier, mijn vriend. Hier is uw geld. En geeft mij nu de jongeling.

Hoe heet hij?

 
 
ROBBERT:Hij heet Esmoreit.
 
 
MEESTER PLATUS:Ik beloof u dat hij altijd zo zal blijven heten. Ik neem hem nu met mij mee.

Vaarwel.

Meester Platus vertrekt.
 
 
ROBBERT:Wat een zware last valt er van mijn schouders.

Want hij blijft nu voor eeuwig verborgen in een heidens oord, dat weet ik zeker.

Want die stad, Balderijs, ligt in Turkije, een ver land.

Ik zal dit geld maar snel verstoppen.

Het is zo veel, dat ik vanaf nu van adel zal zijn, zelfs als ik nu niet meer koning zou worden.

Maar nu is dat niet meer aan de orde.

Nu Esmoreit weg is, ben ik weer de gedoodverfde troonopvolger!

Damascus

establishing shot sicily
 
 
MEESTER PLATUS:Waar bent u, hoog-geboren koning van Damascus?
De koning van Damascus arriveert.
 
 
MEESTER PLATUS:Kom en aanschouw de edelgeboren jongeling die ik voor u heb meegenomen.
 
 
KONING VAN DAMASCUS:Ik heb nog nooit zo'n groot kado gehad!

Ik zal hem grootbrengen als was hij mijn eigen kind. Ik zal hem aan mijn dochter toevertrouwen.

 
 
MEESTER PLATUS:Alles goed en wel, heer koning, maar het is beter als u zijn hoge afkomst voor uw dochter verzwijgt, om te voorkomen dat ze verliefd op hem wordt en met hem wil trouwen, zoals de sterren voorspelden.

Vertel haar dus alleen maar dat hij een gewone vondeling is.

 
 
KONING VAN DAMASCUS:Meester Platus, u heeft helemaal gelijk! Laat ons dit voor altijd verborgen houden voor mijn dochter. Dat geeft mij meer rust.

Maar waar is mijn dochter Damiët?

Damiët, kom onverwijld, ik moet u nú spreken!

Damiët komt op.
 
 
DAMIËT:Vader, dat doe ik met plezier.

Waarom wilde u mij zien?

 
 
KONING VAN DAMASCUS:Damiët, aanschouw dit lieve kind. Deze jongeling is een vondeling. Ik hoorde hem huilen toen ik daar ging wandelen in dat boomgaard.

En daar vond ik hem. Onder een boom.

Damiët, ik wil dat u voor hem zorgt, en hem opvoedt als was hij uw eigen broer.

U bent vanaf nu zijn zus én zijn moeder. Hij heet Esmoreit.

 
 
DAMIËT:Ik zou zó graag zus en moeder voor hem zijn! Ik heb nog nooit zó'n mooi kind gezien.

Oh Esmoreit, mooie jongeling, wat verrassend dat u te vondeling werd gelegd. Door de gewaden die u draagt vermoed ik dat u van edel bloed bent.

Nu, komt met mij, heel mooi kereltje. Ik zal u behandelen als was u mijn broer.

Sicilië

establishing shot sicily
 
 
VORST VAN SICILIË:Waar is Robbert?

Komt tot mij, ik moet u spreken.

Mijn hart is gebroken, ik voel zo'n intens verdriet.

 
 
ROBBERT:Ach oom, hoog-geboren man, waarom bent u zo aangeslagen?
 
 
VORST VAN SICILIË:Het is alsof mijn hart wordt verscheurd door het verdriet dat mij kwelt. Ik ben mijn mooie kind Esmoreit, mijn zoon, kwijt!

Ik had niet nog droeviger kunnen zijn, al had ik al mijn bezittingen en mijn koninkrijk verloren. Ik zou al mijn aardse bezittingen weggeven, als ik daarmee mijn mooie kind terug zou krijgen.

Waarom moeten mijn vrouw en ik zó lijden onder deze kwelling.

Ik zou liever dood zijn.

 
 
ROBBERT:Ach! Edele, beroemde oom, stopt u met jammeren.

Want ik weet namelijk wat er is gebeurd:

Mijn tante voelt geen leed, al doet ze alsof ze heel erg rouwt. Dat weet ik zeker. Haar hart is namelijk kwaadgezind.

Zonder dat zij van mijn aanwezigheid afwist heb ik haar dikwijls horen klagen over het feit dat u oud bent.

Heer koning, ik vermoedde dat ze van plan was u van het leven te beroven.

Die dingen hoorde ik haar vaak zeggen terwijl ik me verborgen hield.

Ik weet zeker dat ze haar zoontje heeft vermoord, want ze houdt niet van u wegens uw ouderdom.

Ze is uit op andere mannen, en ze bemint, ik weet het zeker, heimelijk een jongeman.

 
 
VORST VAN SICILIË:Robbert, neef, weet u dat zeker?

Want als het waar is, dan zou ik haar doden. Die boosaardige vrouw!

 
 
ROBBERT:Oom, daar sta ik voor in met mijn leven.

Wat ik u vertel is echt waar.

Ik weet al heel lang dat ze niet van u houdt.

 
 
VORST VAN SICILIË:Oh! Waar heb ik dat aan verdiend?

Ik heb veel reden tot klagen.

Ik dacht altijd dat ze een engel was als ik naar haar keek.

En nu blijkt ze zo wreed en boosaardige te zijn?

Ga, en haal haar snel, want ik moet haar beslist nu spreken.

Robbert begeeft zich naar de poort.
 
 
ROBBERT:Waar bent u, hoog-geboren vrouw?

Want mijn oom de koning wil u spreken!

De vorstin komt op. Robbert begint tegen haar te praten.
 
 
ROBBERT:Och edele vrouw, pas op voor hem, want hij is buiten zinnen.
 
 
VORSTIN:Ach, koning, ach edele heer, wie kan ons nog troosten nu dat wij gebukt moeten gaan onder deze bittere rouw die wij nu moeten dragen omdat wij ons kind zijn verloren.
 
 
VORST VAN SICILIË:Zwijg, vervloekte, vuile, kwaadaardige vrouw! U hebt mij laten rouwen, maar dat zal u slecht vergaan.

Want ik heb vernomen, hoe de zaken echt zijn gegaan:

U, en u alleen, heeft mijn mooie zoon vermoord. En dat zal u het leven kosten.

U bent de slechtste vrouw die die ooit geleefd heeft.

 
 
VORSTIN:Maar edele heer, edele koning, hoe zou ik het óóit over mijn hart kunnen verkrijgen, om diegene waar ik zó van houd dát aan te doen?
 
 
VORST VAN SICILIË:Zwijgt, Kwaadaardige vrouw, u heeft genoeg gesproken.

Ik wil er niks meer over horen.

Ik zal u voor altijd in een kerker opsluiten.

Robbert, leid haar naar het gevang!

 
 
VORSTIN:Hoe kan ik mijn onschuld nu aantonen, want ik weet hier echt niets van af.
Robbert brengt haar naar de gevangenis.
 
 
ROBBERT:Vrouw, het spijt mij zeer.
Robbert gaat weg.
De vorstin is nu in de gevangenis.
 
 
VORSTIN:Oh god, wat een kwelling. Ik ben mijn zoon verloren, en men denkt dat ik daar achter zit.

Ik wou dat de waarheid boven tafel kwam, en dat iemand mijn onschuld zou aantonen. Als dat toch zou gebeuren, dan zou dat een wonder zijn.

Wie heeft mij dit toch aangedaan? En wie kan mij nu nog helpen?

Damascus, Achttien Jaar Later

establishing shot sicily
Een Jongeling wandelt in een boomgaard.
 
 
JONGELING:Hoe kan mijn zus zo fatsoenlijk leven! Is er geen man waar ze verliefd op is en die ze tot haar man zou nemen?

Óf ze is heel eerzaam, óf ze houdt in het geheim van iemand waar ik niet van af weet.

Ze lijkt in ieder geval in geen enkele levende man interesse te hebben.

Dit is de boomgaard van mijn zus.

Ze wandelt hier graag.

Ik ben er nu ook graag.

Ik zou hier nu graag even rusten, want de slaap overvalt me.

Hij vlijt zich neer tussen de bomen.
De nu wat oudere Damiët verschijnt.
 
 
DAMIËT:Oh, waarom word ik zó overspoeld door gevoelens van verliefdheid voor die ene man waar ik niet van mag houden!

Want toen mijn vader hem vond, gaf hij de vondeling aan mij, met de opdracht voor hem te zorgen als was ik een zus en een moeder.(Peinst een ogenblik)Hij denkt dat hij mijn broer is. Maar hij is helemaal geen familie van mij!

Maar ik hou meer van hem dan van welke andere man dan ook. Deze jongeman is zó edel van natuur, zó duidelijk van hoge komaf.

Want ik wist zeker dat hij van van edel bloed moest zijn, ook al was hij te vondeling gelegd.

Oh Esmoreit, uitverkorene, edele en moedige, mooie held! Sinds mijn lieve vader u achttien jaar geleden vond, ben ik al verliefd op u.

Oh fijne, uitverkoren knaap, zal ik eeuwig verdrietig blijven? Kan ik u ooit vertellen hoe mijn vader mij mijn kans op een leven met u ontnam?

De jongeling komt onder de boomgaard vandaan.
 
 
JONGELING:Oh uitverkoren, edele vrouw, ben ik echt een vondeling? Ik dacht al die tijd dat de koning mijn vader was, en u mijn zus, en van hetzelfde bloed.

Och arme, ben ik dan echt een vondeling? Ach, nu ben ik wel de droevigste man die ooit geleefd heeft. Ik dacht dat ik van hoge komaf was, maar nu blijk ik slechts een vondeling.

Maar nu vraag ik u, lief kind, om mij het hele verhaal te vertellen hoe uw vader mij vond.

 
 
DAMIËT:Oh Esmoreit, mooie held, nu ben ik net zo droef als u.

Ik wist niet dat u vlakbij was toen ik dit droevige verhaal vertelde. Oh edele held, neemt u mij niet kwalijk.

 
 
JONGELING:Oh edele vrouw, nu wil ik weten hoe die zaken zo gekomen zijn.

Ik placht u mijn zus te noemen, maar dat moet ik nu veranderen. Ik zal u nu, edele vrouw, moeten aanspreken als was ik een vreemde man.

Hopelijk mag ik eeuwig uw vriend blijven, meer nog dan alle andere vrouwen die ooit op aarde zijn geboren.

Och edele vrouw, vertelt u mij waar ik gevonden was.

 
 
DAMIËT:Och edele jongeling van hoger komaf, aangezien u dat al hebt gehoord, zal ik u ook vertellen waar mijn vader u vond:
in zijn boomgaard, mooie held, toen hij daar uit wandelen ging.
 
 
JONGELING:Och edele vrouw, vertel mij één ding:
Hoorde men daarna nooit vertellen van vrouwen of jonkvrouwen die klaagden dat ze een kind hadden verloren?
 
 
DAMIËT:Oh edele, uitverkoren jongeling, daar heb ik nooit iemand over horen spreken.
 
 
JONGELING:Ach! Nu moet ik wel van lager afkomst zijn, of uit een ver land.

Hoe kan ik deze schande ooit overleven.

En wie heeft mij deze schande aangedaan!

Wie heeft mij te vondeling gelegd.

Nu zal ik niet meer rusten tot ik er achter ben in welke familie ik ben geboren, en wie mijn vader is.

 
 
DAMIËT:Oh Esmoreit, blijft u nu alstublieft bij mij!

Als het kon, zou ik meteen met u trouwen!

 
 
JONGELING:Te moeten trouwen met een vondeling! Die schande zou ik u nóóit kunnen aandoen.

Uw vader is ten slotte de koning, en bovendien bent u ook zo mooi!

De kroon, die behoort u toe.

Dat dit mij overkomen is!

Ik schaam mij zo.

 
 
DAMIËT:Oh Esmoreit, wees niet zo bedroefd.

Dat mijn vader u gevonden had, kan u niet worden verweten.

We zullen samenblijven, en samen een mooi leven hebben.

 
 
JONGELING:Och edele vrouw, dat zou mij voor altijd gelukkig maken.

Ware het niet dat ik niet kan leven met de enige vrouw waar ik van houd, voordat ik eerst te weten ben gekomen wie mijn vader en moeder zijn.

Och, lief kind, ik heb genoeg getreuzeld, ik moet nu vertrekken.

 
 
DAMIËT:Oh, wat heb ik gedaan!

Ik heb mijn mond voorbijgepraat!

Dat is nu wel erg duidelijk.

Te veel zeggen, dat veroorzaakt vaak problemen.

Als ik nou maar mijn mond had gehouden, dan zou ik nu nog steeds gelukkig kunnen leven, vlakbij mijn lieve Esmoreit.

Maar nu heb ik hem met mijn woorden verdreven.

Ik kan het wel van de daken schreeuwen:
was ik nou maar niet zo dom geweest.

 
 
JONGELING:Och edele vrouw, ik moet nu gaan.

Ik vraag u om de koning namens mij gedag te zeggen, want ik kom niet terug voordat ik weet wie mijn ouders zijn, en ook wie mij te vondeling had gelegd.

 
 
DAMIËT:Oh mooie Esmoreit, beloof mij dat u meteen terug zult komen zodra u de waarheid heeft achterhaald.
 
 
JONGELING:Oh moedige, mooie jonkvrouw, ik zal niet rusten tot ik mijn zoektocht heb volbracht. En zodra ik de waarheid heb achterhaald zal ik met gezwinde spoed bij u terugkeren.
 
 
DAMIËT:Oh Esmoreit, neem deze doek.

Hierin was u gewikkeld toen de koning u vond.

Edele jongeling, wikkel het om uw hoofd, en vertoon u in het openbaar in de hoop dat iemand u hieraan herkent.

En vergeet mij niet, oh mooie man, want ik blijf hier achter met groot verdriet.

Sicilië

establishing shot sicily
De jongeling is bij de gevangenis aangekomen waar de vorstin gevangen zit.
 
 
JONGELING:Op het doek dat ik heb meegekregen is een prachig familiewapen aangebracht.

Ik hoop zo dat het mij toebehoort!

Dat zou namelijk betekenen dat ik van edele komaf ben.

Het lijkt me wel aannemelijk, aangezien ik in dit doek gewikkeld was toen ik als vondeling werd gevonden.

Ik zal in ieder geval niet stoppen met zoeken totdat ik mijn familie gevonden heb, en ook degene gevonden heb die mij te vondeling heeft gelegd.

Die zal ik het betaald zetten!

Ach, mocht ik óóit nog mijn echte vader en moeder kunnen zien, dan zou dat mijn hart zo'n deugd doen.

En mocht ik inderdaad van hogere komaf blijken te zijn, dan zou ik voor altijd vrij van zorgen zijn.

 
 
VORSTIN:Oh edele jongeling, komt u eens hier naar mij toe, en praat met mij, want ik kon u van verre jammerlijk horen klagen van verdriet.
De jongeling is zichtbaar ontroerd als hij de gevangen edelvrouw achter tralies ziet.
 
 
JONGELING:Oh mooie vrouw, wat is u overkomen, dat u aldus opgesloten zit in dit gevang?
 
 
VORSTIN:Oh edele, koene jongeling, ik ben gevangen genomen, maar ik heb niets misdaan, en alles is het gevolg van verraad.

Maar mooi kind, nu ben ik erg nieuwsgierig:
Hoe bent u naar dit land gekomen, en wie gaf u die doek?

 
 
JONGELING:Vrouwe, dat zal ik u vertellen.

Wij kunnen ons verdriet met elkaar delen.

U bent ten slotte gevangen, en mij is ook een groot verdriet aangedaan, want ik was in dit doek gewikkeld en te vondeling gelegd.

En nu ben ik op zoek naar iemand die mij hieraan kan herkennen.

 
 
VORSTIN:Vertelt u mij nu eens, mooie man, of u wellicht weet waar u gevonden was?
 
 
JONGELING:Oh lieve vrouwe, ik was zowaar gevonden in een boomgaard in Damascus.

Daar vond de koning van Damascus mij, en hij heeft mij vervolgens opgevoed.

 
 
VORSTIN:Ach, mijn hart is nu zo blij!

Dat ik de dag mag beleven dat ik mijn eigen kind weer aanschouwen mag!

Mijn hart gaat tekeer, want ik zie mijn kind en ik hoor hem spreken, na al die tijd dat ik zo heb geleden.

Wees welkom, lief kind, Esmoreit, want ik ben uw moeder, en u mijn kind.

Want weet dit, mijn lieve, lieve Esmoreit, dat ik die doek die u bij u heeft, en waarin u was gewikkeld toen u mij werd afgenomen, en waarin u te vondeling was gelegd, met mijn eigen handen heb gemaakt.

 
 
JONGELING:Oh lieve moeder, vertel mij dan snel wie mijn echte vader is?
 
 
VORSTIN:Uw vader is de vorst van Sicilië, mooie jongeling, en de koning van Hongarije is mijn lieve vader.

U kúnt niet van hogere komaf zijn, al was u waar dan ook geboren.

 
 
JONGELING:Maar lieve moeder, vertelt u mij waarom u hier gevangen gehouden wordt?
 
 
VORSTIN:Oh lief kind, een valse verrader heeft mij dat aangedaan.

Hij vertelde uw vader dat ik u had vermoord.

 
 
JONGELING:Oh wat een vreselijk verhaal!

En de man die dat aan mijn vader vertelde, bracht mij ook groot verdriet. Want hij is natuurlijk ook degene die mij te vondeling heeft gelegd.

Als ik eens wist wie dat gedaan had, dan zou hij dat niet overleven, dat beloof ik u.

Ach lieve moeder, ik wil nu niet langer wachten, en ons verdriet zo snel mogelijk verkorten.

Het eerste dat ik nu zal doen is naar de vorst gaan en tegen hem zeggen dat hij u moet vrijlaten uit dit gevang.

Mijn hart danst van vreugde nu ik mijn moeder voor het eerst heb kunnen zien, en nu ik weet wie mijn vader is.

Esmoreit gaat weg.
 
 
VORSTIN:Oh, ik ben zo blij dat ik mijn lieve kind gevonden heb, en ik ben vol van vreugde nu hij mij verlossen zal!
Robbert arriveert.
 
 
ROBBERT:Esmoreit is terug!

Als ik hem nou maar niet verkocht had aan de oosterling, en als ik hem nou maar met mijn eigen handen had gedood, dan was dit niet gebeurd.

Ik had niet verwacht dat hij terug zou komen, en nu ben ik bang dat daar ellende van zal komen, want dit zál uitkomen.

Nu wacht mij de grootste schande.

Ik ga gezien worden als een misdadiger en de koning zal mij ter dood veroordelen!

Oh, wat heb ik gedaan.

De vorst komt op.
 
 
VORST VAN SICILIË:Ga snel, neef Robbert, en haal mijn vrouw, de vorstin, die ik nu voor altijd zal beminnen.

Ik heb haar ten onrechte gevangen gehouden, want ze was onschuldig!

Het doet mijn hart zo'n pijn dat ik haar zo wreed heb behandeld.

En haal haar dus met gezwinde spoed, zodat ze haar mooie zoon kan aanschouwen.

 
 
ROBBERT:Heer, dat wil ik maar al te graag doen.

U kunt op mij vertrouwen.

Robbert komt aan bij de gevangenis.
 
 
ROBBERT:Kom nu, edele vrouw, en verlaat nu deze gevangenis waar u zo lang in opgesloten was.

U mag straks uw zoon, de jongeman Esmoreit, aanschouwen!

Mijn hart maakte een sprong van vreugde toen ik deze mooie held zag!

Robbert begeleidt de vorstin naar de vorst van Sicilië
 
 
VORST VAN SICILIË:Oh edele vrouw, geef mij uw hand. Wilt u mij mijn misdaad vergeven? Ik zal nu voor de rest van mijn leven uw dienaar zijn.

De schuld rust bij mij, dat is wel duidelijk.

Ons kind Esmoreit is bij ons teruggekeerd als een mooie volwassen jongeling. Vergeef het mij dat ik u beschuldigde van moord op uw eigen zoon.

 
 
VORSTIN:Oh edele heer, ik wil u dat graag vergeven, want al mijn zorgen en mijn angsten zijn verdwenen, alsook mijn boosheid en mijn lijden.

Maar waar is mijn lieve kind Esmoreit? Haal hem voor de dag en laat mij hem zien!

 
 
ROBBERT:Och edele vrouw, dat zal nu geschieden.

Waar bent u, Esmoreit, mijn neef?

 
 
JONGELING:Ik ben hier!

Oh lieve vader, hoge vorst, en ook mijn moeder die ik nooit eerder zag: ik ben al mijn droefheid kwijt die ik in mijn hart omsloot.

Toen ik hoorde dat ik een vondeling was, was ik de droevigste man ter wereld.

Maar de waarheid is beter dan ik ooit had durven dromen!

 
 
VORST VAN SICILIË:Oh Esmoreit, vertelt u mij nu eens, waar hebt u al die tijd gewoond?
 
 
JONGELING:Bij de koning van Damascus, vader.

Hij is een edele oosterling die mij in zijn boomgaard vond.

Zijn dochter sloot mij vol liefde in haar armen.

Toen haar vader, de koning van Damascus, mij vond, gaf hij mij aan haar en toen werd ze mijn moeder. Ze nam mij onder haar hoede als was ik haar broer.

Daar ben ik haar eeuwig dankbaar voor.

Zij was het die me vertelde hoe haar vader mij vond, en hoe ik in deze doek gewikkeld was toen haar vader mij aan haar gaf.

 
 
VORSTIN:Dat is de doek die ik zelf heb gemaakt, Esmoreit, mooie zoon.

Ik had uw vader's wapens erop geborduurd, en ook de wapen van Hongarije, omdat dat toch ook uw afkomst is.

Dat kunt u daar zien. En daarom herkende ik het.

Zozeer hield ik van u, dat ik kosten noch moeite bespaarde om dit voor u te maken.

U zult wel begrijpen, mijn Esmoreit, dat ik heel erg bedroefd was toen ik u verloor.

Maar nu ik u weer kan zien, hoop ik oprecht dat degene die mij onderdompelde in dit bittere leven dat ik zo lang heb moeten leiden, zal worden vergeven.

 
 
JONGELING:Oh lieve moeder, er is nog nooit een misdaad gepleegd dat niet naar buiten kwam en werd bestraft.
 
 
ROBBERT:Esmoreit, mijn neef, als ik eens wist wie dit gedaan had!

Diegene zal het niet overleven. Ik zal hem doden!

Als hij niet al in de aarde gezonken is, dan zal ik hem zeker met mijn zwaard van het leven beroven.

Oh, als ik eens wist wie die schurk was die deze schandelijke daden had verricht!

Hij zou een zekere dood tegemoet gaan.

 
 
VORSTIN:Mijn hart wordt nu overspoeld door gevoelens van geluk!

Laten wij vanaf nu leven in blijdschap, en laten wij alle droevige gebeurtenissen vergeten.

 
 
VORST VAN SICILIË:Kom, Esmoreit, mijn zoon, laten wij nu gaan en laat ons vanaf nu een gelukkig leven leiden.
 
 
JONGELING:Maar hopelijk gaat het ook goed met de jonge edele vrouw van Damascus, Damiët, degene die mij opgevoed heeft, en waar ik van hou.

Ze is zo rechtschapen, en zo puur, dat ik wel van haar móét houden, meer nog dan van alle andere vrouwen, want ze houdt ook heel erg van mij.

 
 
ROBBERT:Esmoreit mijn neef, dat heb je goed gezegd.

Laten wij alle droevige gebeurtenissen nu vergetenen en met een blij gemoed gaan eten, want de tafel is gedekt.

Damascus

establishing shot sicily
 
 
DAMIËT:Ach, waar blijft nu mijn lieve Esmoreit.

Hij komt maar niet en hij komt maar niet.

Óf hij is in de problemen, óf hij is een vreselijke dood gestorven, óf hij heeft zo veel plezier dat hij mij allang weer vergeten is.

Ik wil koste wat kost weten hoe het met hem gaat, ook al moet ik daarvoor stad en land afreizen.

Meester Platus, waar bent u?

Meester Platus komt op.
 
 
MEESTER PLATUS:Goede, edele, trouwe vrouw, ik sta volledig ter uwer beschikking.
 
 
DAMIËT:Meester, ik wil de wereld over reizen om Esmoreit te gaan zoeken, ook al zouden de mensen daar schande over spreken, en al zou ik daar heel erg voor moeten afzien en heel erg veel honger en dorst voor moeten lijden en tegenspoed moeten doorstaan.

Ik moet wel, ik heb geen keus, mijn verliefdheid dwingt me ertoe.

Beste meester, nu vraag ik u om met mij mee te gaan, zodat u mij onderweg goede raad kunt geven zodat ik hem kan vinden, en ik smeek u om mijn verzoek niet af te wijzen.

 
 
MEESTER PLATUS:Edele vrouw, weest u gerust.

Aangezien u deze adellijke jongeling heel erg graag wil vinden, ga ik samen met u mee op zoektocht.

 
 
DAMIËT:Meester Platus, laten wij dan vermomd als pilgrims gaan reizen.

Sicilië

establishing shot sicily
Damiët staat met Meester Platus voor de poort.
 
 
DAMIËT:Is er hier iemand die ons, twee pilgrims die verdwaald zijn en door rovers zijn beroofd, iets zouden willen geven?
De jongeling komt haastig aangesneld.
 
 
JONGELING:Hoor ik daar de stem van Damiët?

Het lijkt zó sprekend op die van Damiët, mijn mooie vriendin, de schoonheid uit Damascus, de enige vrouw voor mij, de liefde van mijn leven.

Zegt u nog eens iets, ik hoor uw stem zo graag.

U lijkt zo sprekend op haar.

 
 
DAMIËT:Als we nu in Damascus waren, Esmoreit, mijn mooie man, dan zou ik die vrouw zijn, maar nu sta ik hier voor u als een pilgrim.
 
 
JONGELING:Oh Damiët, vrouw van mij, bent u het echt, edele vrouw?

Mijn hart en mijn ziel zijn vol van vreugde, want er is niemand die ik liever zou willen zien.

Maar vertelt u mij nu, hoe u hier bent gekomen?

 
 
DAMIËT:Oh Esmoreit, mooie held, ik wilde u zo graag zien, dat ik er alles voor over had.

En dus vermomde ik mij als een pilgrim, en nam ik Platus met mij mee om mij te beschermen.

Daarna doolde ik door het landschap, op zoek naar u.

 
 
JONGELING:Waar bent u, mijn lieve vader?

Komt u hier, u móét deze vrouw ontmoeten, de vrouw waar ik van houd, de vrouw die zo trouw zo veel voor mij gedaan heeft.

 
 
VORST VAN SICILIË:In dat geval ontvang ik haar met open armen!

Wees welkom, Damiët, mooie vrouw.

U zult in Sicilië worden gekroond.

Ik zal u mijn zoon geven en hem mijn kroon, want ik heb zo'n oud lijf, dat ik hem niet meer dragen kan.

En u zult zijn vrouw worden.

 
 
ROBBERT:Heer koning, oom, Esmoreit is die positie zeker waardig.

Hij zal een in wijde omstreken vermaarde ridder worden, één die weet hoe men het zwaard hanteert.

Het is een verstandig besluit om de kroon aan hém over te dragen.

Damiët, volgt u mij.

U wordt een jonge vorstin.

De vorst gaat weg, gevolgd door Damiët en Robbert

Meester Platus heeft Robbert herkend.

 
 
MEESTER PLATUS:Help, ik denk dat ik gek word.
Meester Platus wijst naar de poort waardoor Robbert als laatste verdwenen is.
 
 
MEESTER PLATUS:Oh Esmoreit, edele, vrije ridder, díé man veroorzaakte ál uw verdriet!

Geloof hem niet, want hij haat u!

Ik ben degene die u van hem kocht, voor duizend pond goud.

 
 
JONGELING:Meester, legt u mij dat nu eens uit.
 
 
MEESTER PLATUS:Oh Esmoreit, het gebeurde als volgt:

Achttien jaar geleden kwam ik daar aangereden, op deze zelfde plek, en daar kwam ik hem tegen, met u in zijn armen.

En hoort u eens, wat die schurk toen zei:

Volgens hem zou u hem zijn rijkdom en de kroon afhandig hebben gemaakt.

Hij was woedend op u, en hij zou u zeker vermoord hebben.

U moet beslist met hem verwant zijn, dat zag wel aan zijn gelaat.

 
 
JONGELING:Meester, vertel verder! Wie heeft mijn moeder dat grote leed, en mij die schande, aangedaan.

Ik ben ziedend. Ik wil alles weten!

 
 
MEESTER PLATUS:Oh Esmoreit, diezelfde man heeft dat gedaan. Hij wilde u van het leven beroven. Daar schepte hij over op, de schurk.

Ik hoorde het en sprak hem aan, en ik zei tegen hem dat het een slechte daad zou zijn om een jonge prins te doden. Om dat te voorkomen kocht ik u van hem voor duizend pond rood goud.

 
 
JONGELING:Die daad moet gewroken worden!
 
 
JONGELING: (Tegen Meester Platus )Nu moet ik uw beschuldiging naar buiten brengen.
De jongeling roept richting de poort.
 
 
JONGELING:Waar bent u, vader, en waar is Robbert, de moordenaar?
Robbert komt haastig op, en daarna ook de vorst
 
 
ROBBERT:Op mijn erewoord, dat is niet waar!

Esmoreit, mijn neef, ik was u altijd trouw en loyaal, en ik was nóóit een moordenaar of een verrader.

 
 
JONGELING:Zwijg, ellendige bastaard, want wat u deed was zelfs nog veel erger. Hoe kwam u ooit op het idee om uw eigen bloed te verkopen!

En om dan mijn vader wijs te maken dat mijn moeder het had gedaan!

 
 
ROBBERT:Als er ook maar iemand is in dit land die mij dáárvan durft te beschuldigen, dan daag ik hem uit voor een duel!
 
 
MEESTER PLATUS:Zwijg, gewelddadige schurk!

U zou hem hebben doodgestoken als ik u niet had aangesproken.

Ik kwam gelukkig nét op tijd aangereden.

Ik was nooit zó tevreden, als toen ik hem van u kocht voor geld.

Ik gaf u al mijn geld, ongeteld, in een kistje gemaakt van ivoor.

Die zal men nu in uw kast vinden, daar durf ik mijn leven om te verwedden.

 
 
JONGELING:Oh Robbert, gemene schurk! Ik haat u.

U zult vandaag sterven, en niemand in de wereld zal u kunnen helpen.

Op de wenken van Esmoreit arriveert een beul die Robbert boeit en hem een strop om de hals doet. Daarna vertrekt de beul met Robbert

EINDE

Nawoord

De tekst is een vrije hertaling en adaptatie van een anoniem abels spel dat omstreeks 1400-1420 geschreven is en waarvan de auteur onbekend is.

Bij het aanpassen van de tekst heb ik zoveel mogelijk gepoogd er een plezierige leeservaring van te maken voor de moderne lezer. De tekst is daarom waarschijnlijk in deze huidige vorm niet geschikt om op te voeren op een toneelpodium. Daar is het in eerste instantie ook niet voor bedoeld.

De illustraties zijn om dezelfde reden aan de tekst toegevoegd.

Ik noem het een adaptatie, en geen hertaling, omdat ik rijm heb losgelaten en mijzelf de vrijheid heb gegeven om de dialogen vlot leesbaar te maken voor een modern publiek.

Ik heb referenties naar religie weggelaten omdat ik meende dat het niet essentieel was voor het vertellen van het verhaal, en ik heb de oorspronkelijke proloog en epiloog weggelaten.

Een uitvoering werd meestal gevolgd door een klucht. Deze heb ik ook achterwege gelaten.

Voor de rest heb ik gepoogd zo min mogelijk weg te laten.

Ayal Pinkus